From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: lack /læk/ 1. derven, missen, ontberen 2. afwezigheid, euvel, gebrek, gemis, tekort, tekortkoming
lack /læk/ 1. derven, missen, ontberen 2. afwezigheid, euvel, gebrek, gemis, tekort, tekortkoming