From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2:
join /dʒɔin/ 1. lid worden, toetreden, zich aansluiten 2. aan elkaar vastmaken, verbinden 3. aaneenvoegen, bijeenbrengen, samenbrengen, verenigen 4. aansluiten, zich aaneensluiten, zich verenigen 5. bijeenbinden, samenbinden 6. binden, vastbinden, vastmaken