From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: harm /hɑːm/ 1. benadelen 2. duperen 3. kwetsen, letsel toebrengen 4. kwetsuur, letsel 5. deren, schaden 6. afbreuk, nadeel, schade
harm /hɑːm/ 1. benadelen 2. duperen 3. kwetsen, letsel toebrengen 4. kwetsuur, letsel 5. deren, schaden 6. afbreuk, nadeel, schade