From English-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.2: guide /gaid/ 1. besturen, dirigeren, mennen, richten 2. de weg wijzen, leiden, geleiden, rondleiden 3. gids 4. gidsboek, reisgids, vademecum 5. leiding 6. brengen, voeren
guide /gaid/ 1. besturen, dirigeren, mennen, richten 2. de weg wijzen, leiden, geleiden, rondleiden 3. gids 4. gidsboek, reisgids, vademecum 5. leiding 6. brengen, voeren