From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: wieder‐ /vˈiːdɜ/ her‐, re‐, terug‐, weer‐
wieder‐ /vˈiːdɜ/ her‐, re‐, terug‐, weer‐
From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: wieder /vˈiːdɜ/ 1. nogmaals, opnieuw, van voren af aan, wederom, weer, alweer 2. her‐, re‐, terug‐, weer‐ 3. weder
wieder /vˈiːdɜ/ 1. nogmaals, opnieuw, van voren af aan, wederom, weer, alweer 2. her‐, re‐, terug‐, weer‐ 3. weder