From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: wegen /vˈeːɡən/ 1. naar aanleiding van, vanwege, wegens 2. door, in ruil voor, op, op grond van, uit, voor 3. bedillen, haarkloven, het lastig maken, muggeziften, vitten
wegen /vˈeːɡən/ 1. naar aanleiding van, vanwege, wegens 2. door, in ruil voor, op, op grond van, uit, voor 3. bedillen, haarkloven, het lastig maken, muggeziften, vitten