From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: warten /vˈaɾtən/ 1. afhalen, wachten, te wachten staan, verbeiden, verwachten 2. verplegen, verzorgen, zorgen voor 3. oppassen
warten /vˈaɾtən/ 1. afhalen, wachten, te wachten staan, verbeiden, verwachten 2. verplegen, verzorgen, zorgen voor 3. oppassen