From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: treten /tɾˈeːtən/ 1. gaan, lopen, van stapel lopen, verlopen, zich begeven 2. marcheren, tippelen 3. schrijden, stappen, treden
treten /tɾˈeːtən/ 1. gaan, lopen, van stapel lopen, verlopen, zich begeven 2. marcheren, tippelen 3. schrijden, stappen, treden