From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: schier /ʃˈiːɾ/ bijna, bijkans, haast, schier, vrijwel, welhaast, zo goed als, zowat
schier /ʃˈiːɾ/ bijna, bijkans, haast, schier, vrijwel, welhaast, zo goed als, zowat