From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: scheinen /ʃˈaɪnən/ 1. blinken, glanzen, schijnen, schitteren 2. lijken, overkomen, toeschijnen, voorkomen
scheinen /ʃˈaɪnən/ 1. blinken, glanzen, schijnen, schitteren 2. lijken, overkomen, toeschijnen, voorkomen