From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: reizen /rˈaɪtsən/ 1. aanstoken, irriteren, ophitsen, op stang jagen, prikkelen, sarren 2. aanporren, aansporen, aanvuren, stimuleren, zwepen
reizen /rˈaɪtsən/ 1. aanstoken, irriteren, ophitsen, op stang jagen, prikkelen, sarren 2. aanporren, aansporen, aanvuren, stimuleren, zwepen