From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: nennen /nˈɛnən/ 1. aanhalen, citeren, noemen 2. gewag maken van, vermelden 3. heten, benoemen, uitmaken voor
nennen /nˈɛnən/ 1. aanhalen, citeren, noemen 2. gewag maken van, vermelden 3. heten, benoemen, uitmaken voor