From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: Kurs /kˈuːɾs/ 1. koers, leiding, richting, richtlijn 2. cursus, leergang, route, tracé, traject
Kurs /kˈuːɾs/ 1. koers, leiding, richting, richtlijn 2. cursus, leergang, route, tracé, traject