From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: jagen /jˈɑːɡən/ 1. drijven, aandrijven, opjagen, voortdrijven 2. jacht maken op, jagen, bejagen
jagen /jˈɑːɡən/ 1. drijven, aandrijven, opjagen, voortdrijven 2. jacht maken op, jagen, bejagen