From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: Heer /hˈeːɾ/ 1. heerschaar, leger, legermacht, troepenmacht, weermacht 2. heer, strijdkrachten
Heer /hˈeːɾ/ 1. heerschaar, leger, legermacht, troepenmacht, weermacht 2. heer, strijdkrachten