From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: halten /hˈaltən/ 1. afslaan, blijven staan, halthouden, stilhouden, stilstaan, stoppen 2. houden, bijhouden, vasthouden
halten /hˈaltən/ 1. afslaan, blijven staan, halthouden, stilhouden, stilstaan, stoppen 2. houden, bijhouden, vasthouden