From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: Grund /ɡɾˈʊnt/ 1. bodem, grond, achtergrond, ondergrond 2. oorzaak, reden 3. beweegreden, drijfveer, motief, term 4. aarde, aardrijk, land
Grund /ɡɾˈʊnt/ 1. bodem, grond, achtergrond, ondergrond 2. oorzaak, reden 3. beweegreden, drijfveer, motief, term 4. aarde, aardrijk, land