From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: Gelingen /ɡəlˈɪŋən/ succes, welslagen
Gelingen /ɡəlˈɪŋən/ succes, welslagen
From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: gelingen /ɡəlˈɪŋən/ 1. bloeien, floreren, gedijen, tieren, vooruitkomen, welvaren 2. doorkomen, klaarspelen, slagen, slagen voor
gelingen /ɡəlˈɪŋən/ 1. bloeien, floreren, gedijen, tieren, vooruitkomen, welvaren 2. doorkomen, klaarspelen, slagen, slagen voor