From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: flugs /flˈuːks/ 1. gauw, hard, in allerijl, schielijk, snel, vlug 2. aanstonds, dadelijk, meteen, op staande voet, subiet, zo
flugs /flˈuːks/ 1. gauw, hard, in allerijl, schielijk, snel, vlug 2. aanstonds, dadelijk, meteen, op staande voet, subiet, zo