From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: fix /fˈɪks/ 1. onbeweeglijk, star, vast 2. bedreven, behendig, bekwaam, handig, vaardig
fix /fˈɪks/ 1. onbeweeglijk, star, vast 2. bedreven, behendig, bekwaam, handig, vaardig