From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: falsch /fˈalʃ/ 1. fout, foutief, onjuist, verkeerd 2. bedrieglijk, dubbelhartig, loos, onecht, onwaar, vals, vervalst
falsch /fˈalʃ/ 1. fout, foutief, onjuist, verkeerd 2. bedrieglijk, dubbelhartig, loos, onecht, onwaar, vals, vervalst