From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: eilen /ˈaɪlən/ 1. hardlopen, hollen, racen, rennen, snellen 2. haast maken, spoed maken, voortmaken, zich haasten, zich spoeden
eilen /ˈaɪlən/ 1. hardlopen, hollen, racen, rennen, snellen 2. haast maken, spoed maken, voortmaken, zich haasten, zich spoeden