From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: Chef /ʃˈɛf/ 1. aanvoerder, baas, chef, gebieder 2. meerdere, superieur 3. hoofd, opperhoofd
Chef /ʃˈɛf/ 1. aanvoerder, baas, chef, gebieder 2. meerdere, superieur 3. hoofd, opperhoofd