From German-Dutch FreeDict Dictionary ver. 0.1.5: ausschlagen /ˈaʊsʃlˌɑːɡən/ 1. afkeuren, afwijzen, het verdommen, terugwijzen, vertikken, weigeren 2. kiemen, ontkiemen
ausschlagen /ˈaʊsʃlˌɑːɡən/ 1. afkeuren, afwijzen, het verdommen, terugwijzen, vertikken, weigeren 2. kiemen, ontkiemen